De prijs van de vrijheid

De prijs van de vrijheid is de uitwerking van een reeks lezingen die Joep Dohmen en ik in 2011 hebben gegeven voor Studium Generale Utrecht.
    In deze reeks hebben wij tien denkers en schrijvers onderzocht op hun ethische standpunten.
    Dat leidde tot een verrassend resultaat bij auteurs (Larochefoucauld, Dostojevski, Musil, Sartre en Houellebecq) die altijd al mijn favoriete auteurs waren, maar waaraan ik nooit de vraag had gesteld naar hun ethische gehalte.

Wat is existentialisme?

Ik zal deze moeilijke materie vereenvoudigen tot twee kernbegrippen: bewustzijn en zijn

Bewustzijn

‘Bewustzijn’ vormt het uitgangspunt van het existentialisme. Sartre ontleende het begrip aan Edmund Husserl, de grondlegger van de fenomenologie. Husserl gaf een verraderlijk simpele definitie van bewustzijn. Hij zei: ‘bewustzijn is bewustzijn van iets.’ Dat enkele woordje ‘van’ was voor Sartre een eyeopener. Het is niet overdreven om te zeggen dat hij jarenlang heeft nagedacht om de diepgang van dat eenvoudige woordje te peilen. De diepgang schuilt daarin dat Husserl het bewustzijn niet beschouwt als een iets passiefs: een spiegel in ons hoofd waarin de buitenwereld wordt weerspiegeld die vervolgens een rol gaat spelen in onze gedachten. Husserl beschouwde bewustzijn als iets actiefs, een activiteit, een intentie, waarmee wij ons naar de buitenwereld toe bewegen. Het bewustzijn is niet een toestand, maar een handeling, die we ons het best kunnen voorstellen als een pijl die we schieten in de richting van het verschijnsel waarvan we ons bewust worden. Het bewustzijn is derhalve niet iets wat zich binnen in onze hersenpan afspeelt, maar buiten ons en wel in het traject waarmee we een intentie richten op een verschijnsel in de buitenwereld. 
    Intentionaliteit (het intentioneel op een verschijnsel gericht zijn) en bewustzijn zijn één en hetzelfde; deze woorden zijn synoniemen. Husserl introduceerde deze begrippen om tot een beter inzicht te komen van de werkelijkheid; als een methode van kennis. Als je de ware aard van een verschijnsel wilt kennen, zei hij, dan moet je er je intentie op richten (je moet je ervan bewust worden) en je moet bepaalde procedures volgen om het verschijnsel te ontdoen van de vele onjuiste of half-juiste oordelen die er in de loop van de tijd aan zijn blijven kleven. De verschijnselen zoals ze zich aan ons voordoen zijn vervuild. Om hun ware aard te kennen moeten we ze schoonmaken. We moeten de oordelen buiten haken zetten (Husserl noemde dat buiten haken zetten de épochè, letterlijk het opheffen of opschorten) en als je dat op de juiste manier doet komt uiteindelijk de ware aard van het verschijnsel (met een Grieks woord de eidos, of ‘wezenskern’) onder de vervuilende oordelen te voorschijn in een beweging die Husserl de ‘eidetische reductie’ noemde.
    Bewustzijn, intentie, épochè en eidetische reductie zijn methodes om tot ware kennis te komen. Ze maken deel uit van een kenleer. Het is Sartre’s grote verdienste dat hij deze fenomenologische kenleer verdiept en verzwaart tot een leer van het ‘zijn’, tot een ‘ontologie’. Volgens Sartre is niet alleen het bewustzijn intentioneel, maar het totale zijn. Wat betekent het om te bestaan, om te ‘zijn’ als mens? Dat betekent intentionaliteit, zei Sartre. Het ‘Zijn’ is, net zo min als bewustzijn een toestand. Het is niet juist om te zeggen ‘to be or not to be, that’s the question’ als je daarmee een toestand van ‘zijn of niet zijn’ bedoelt. Het ‘Zijn’ is net zoals het bewustzijn een handeling die gericht is op een verschijnsel waarvan we ons bewust worden. We ‘zijn’ niet binnen in onszelf, maar buiten onszelf. ‘Zijn’ betekent transcendentie, overschrijding van de grens die ons scheidt van de buitenwereld: een streven dat we richten op het verschijnsel waarvan we ons bewust worden. Zijn is zich naar buiten werpen in een beweging die terecht een project heet, want ‘project’ is afgeleid van het Latijnse werkwoord pro iacere, dat ‘naar voren werpen’ betekent.
    ‘Existeren’ doen we nu in de mate waarin we onszelf buiten onszelf werpen in projecten. Het ‘zijn’ bestaat uit de pijlen die we schieten naar de verschijnselen. We ‘zijn’ dus niet in ons hoofd, we ‘zijn-in-de-wereld’. Sartre ontleent dit begrip aan Heidegger. Sartre en Heidegger zijn het met elkaar eens dat dit ‘zijn-in-de-wereld’ de diepste betekenis raakt van het werkwoord ‘zijn’.
    Sartre verdiept Husserls fenomenologische kenleer nog in een ander opzicht tot een ontologie en dat betreft de status van het ‘ik’. Volgens Husserl was het ‘ik’ een onpartijdige observator die de ware aard van de verschijnselen in de buitenwereld op het spoor probeerde te komen met behulp van de fenomenologische kenleer. Het ‘ik’ was volgens hem een observator die vanuit zijn uitkijktoren een zoeklicht laat vallen op de verschijnselen om hem heen. Sartre meent dat dit een onjuiste voorstelling van zaken is. Het ‘ik’ is geen neutrale observator, het ‘ik’ is zelf een verschijnsel waarop de kentheoretische methoden (épochè en eidetische reductie) net zo goed van toepassing zijn als op elk ander verschijnsel. Het ‘ik’ is namelijk geen poppetje in ons hoofd, maar een voorstelling die we maken van onszelf. Het ‘ik’ zit niet binnen in ons, maar bevindt zich buiten ons, als één van de vele verschijnselen (mijn collega Jan, de tafel, de kop koffie) waarvan wij ons bewust worden. Het ‘ik’ is een ding. Het is een voorstelling die we in de loop van ons leven van onszelf maken, corrigeren en aanvullen. Het enige verschil met de andere dingen is dat het ‘ik’ een ding is dat zich niet direct aan ons presenteert, maar indirect volgens ons reflexieve denken. Als we in onze gedachten nagaan hoe we in bepaalde situaties hebben gereageerd (‘toen schoot ik toch wel uit mijn slof’) kunnen we achteraf concluderen tot een persoonlijkheidskenmerk (bijvoorbeeld prikkelbaarheid) dat we opnemen in ons zelfbeeld.
    De conclusie die wij daaruit kunnen trekken is dat wij geen voorkeurspositie hebben als we willen weten wie we eigenlijk zijn. Introspectie levert niets op, omdat het ‘ik’ niet een poppetje is in ons hoofd, maar een ding tussen de andere dingen in de buitenwereld. Het is dus volstrekt onjuist om te zeggen: ‘Ik ken mezelf toch zeker het best?’ Het is eerder omgekeerd zo dat andere mensen ons beter kennen dan wij onszelf kennen, omdat andere mensen niet de neiging hebben om de voorstelling die we van onszelf maken te flatteren (‘Ik zie er nog best jong uit’). 
    Sartre verdiept en verzwaart dus in twee wezenlijke opzichten de kenleer van Husserl tot een zijnsleer of ontologie. Vandaar de ondertitel van L’Etre et le Néant: essai d’ontologie phénoménologique: een proeve van fenomenologische ontologie.

Zijn

Volgens Sartre zijn er twee manieren van ‘zijn’. 1. Zijn als ding (‘être-en-soi’) en 2. Zijn als bewustzijn (‘être-pour-soi’).
1.  Laat ik een eenvoudig voorbeeld nemen om het ‘Zijn als ding’ te verduidelijken: een wasmachine. Een wasmachine is een ding dat gemaakt wordt in een fabriek met een duidelijk doel: het ding moet wassen. ‘Gemaakt om te wassen’ is de essentie van de wasmachine. Het ding dat bij mij in de badkamer staat zal tijdens zijn bestaan als wasmachine aan dat doel voldoen. Zijn existentie als wasmachine vloeit direct voort uit zijn essentie, namelijk dat hij gemaakt is om te wassen. Tijdens zijn existentie ontplooit de wasmachine deze essentie, dat wil zeggen het doel en de functie waarvoor hij is gemaakt. In Sartres woorden: ‘De essentie van de wasmachine gaat vooraf aan zijn existentie’.
    Nu is het ‘zijn’ van de mens in de loop van de geschiedenis bijna altijd opgevat als een ‘zijn als ding’, een ‘zijn als essentie’. Laat ik weer een eenvoudig voorbeeld geven. Ik ben de oudste zoon van Bastiaan van Buuren, verhuizer te Maassluis. Mijn vader en grootvader hadden een verhuisbedrijf: ‘M. van Buuren en Zn. Verhuizingen en Pianotransporten’. Mijn grootvader Maarten van Buuren was de directeur. Ik ben naar mijn grootvader vernoemd. Vanaf mijn derde jaar mocht ik meerijden in de Dikke Daf: mijn vader, links van mij, zat aan het stuur, mijn grootvader, rechts van mij zat op de bijrijderstoel. Mijn oudere zuster mocht niet mee. Mijn jongere broertjes ook niet. Dat recht was voorbehouden aan mij. Als we bij klanten of bij collega-transporteurs kwamen, legde mijn grootvader zijn hand op mijn hoofd en zei hij: ‘Dit is Maarten, mijn stamhouder’ met een beetje ironie in zijn stem, maar niet zo heel veel.
    Ik was mij ten volle bewust van mijn verantwoordelijkheid als stamhouder van de familie Van Buuren en als beoogd opvolger van mijn grootvader als directeur van het verhuisbedrijf. Tot mijn vijftiende jaar had ik een essentie: stamhouder en toekomstig directeur van het verhuisbedrijf. Mijn bestaan was helder en eenvoudig. Ik hoefde alleen maar mijn essentie te ontplooien. Mijn leven strekte zich voor mij uit als een gebaande weg. Tot mijn vijftiende jaar bestond ik als ding. Mijn doel en functie in dit leven was: verhuizen en de familie in stand houden. Dat is natuurlijk niet hetzelfde als: wassen, maar het verschil tussen een wasmachine en mij was niet heel groot.
2.  Bij het ‘Zijn als bewustzijn’ (‘être-pour-soi’) ligt het precies omgekeerd. Elk vooraf gegeven doel, functie of essentie ontbreekt. De mens begint zijn bestaan from scratch, vanaf Niets. In den beginne is er Niets. We worden in de wereld ‘geworpen’, zoals Sartre het, in navolging van Heidegger, noemt. Wat is ‘geworpenheid’? We kunnen ons het geworpen zijn het best voorstellen als een survivaltocht.
    Stel dat ik me inschrijf voor een survival-tocht in een onherbergzaam gebied. Ik doe mijn rugzakje op met wat proviand en stap in een busje. Het busje rijdt de wildernis in, stopt op een open plek in een bos. De deur gaat open; ik stap uit. Het busje staat al op het punt om door te rijden als me iets te binnen schiet. Ik klop op het ruitje van de chauffeur. Hij draait het raampje naar beneden, leunt op zijn elleboog naar buiten: ‘Zeg het eens, Van Buuren’ en ik zeg: ‘Wat is de bedoeling?’. Hij zegt: ‘Er is geen bedoeling’. Ik kijk hem verbouwereerd aan: ‘Maar wat moet ik gaan doen?’ en hij zegt: ‘Tja, joh, zoek het uit. Maak er wat leuks van. Tabee!’ Hij draait het raampje dicht en weg is het busje. Dat is ‘geworpenheid’.  
    Nu kan ik denken: ‘Misschien is er hier iets te verhuizen, want ik ben als verhuizer in de wieg gelegd’. Maar dat is natuurlijk een onjuiste reactie, een reactie ‘te kwader trouw’, omdat me vastklamp aan mijn vermeende essentie van verhuizer. De enig juiste manier waarop ik kan reageren is om me bewust te worden van mijn situatie in de betekenis die Sartre aan bewustzijn geeft, namelijk als een intentioneel uitreiken naar de verschijnselen waarvan ik mij bewust wordt. Ik zie dat de zon daalt. Ik besef dat ik als de sodemieter moet zorgen voor een hutje waarin ik de nacht kan doorbrengen. Voor dat hutje heb ik takken en bladeren nodig. Ik zal ook een vuurtje moeten maken om daar eten op te koken. Daar heb ik dorre takjes voor nodig en hoe deed je dat ook weer: een vuurtje maken door dorre takjes op elkaar te wrijven? Wonen er misschien andere mensen in de buurt? Daar moet ik snel contact mee maken. Maar dat lukt vandaag niet meer, dat moet ik morgen proberen. Kortom: er doemen in mijn bewustzijn allerlei verschijnselen op van zaken waarvan ik me maar beter heel snel bewust kan worden, want anders wordt de situatie hier knap vervelend.
    Ik moet gaan existeren, ik moet mezelf vooruitwerpen in projecten. In die projecten ontwerp ik mijn bestaan. Ergens in L’Etre et le Néant vergelijkt Sartre ‘existeren’ met een ezeltje dat achter een wortel aanloopt. Die wortel bengelt voor zijn neus. Hij is vastgemaakt aan een lange stok die op zijn beurt weer is bevestigd aan een karretje dat het ezeltje achter zich aan trekt. Het ezeltje begint te existeren op het moment dat het achter de wortel aan gaat lopen die het overigens nooit bereikt. Al doende baant het ezeltje zich een weg door het bestaan.
    Onze existentie, zegt Sartre, gaat vooraf aan onze essentie. We ontwerpen onszelf in bewustzijnsprocessen waarin we ons uit onszelf werpen in de richting van verschijnselen waarvan we ons bewust worden. Als we ons na lange tijd omkeren, kunnen we het spoor zien dat we in de werkelijkheid hebben getrokken. Het is een kronkelig spoor met veel vallen en opstaan: blijkbaar was dàt onze essentie.