Fragmenten uit Kikker gaat fietsen!

Depressie en liefde 

Liefde en depressie zijn twee kanten van dezelfde medaille. Liefde is de positieve, depressie de negatieve kant. De zon is een goede metafoor. Liefde lijkt het meest op deze oerbron van energie, warmte, licht en leven; depressie op het ontbreken, of misschien beter: op een pervertering ervan.
     Liefde is, net als de zon onbaatzuchtig. Mijn verwarring begint bij die onbaatzuchtigheid. Ik geloof niet in onbaatzuchtigheid. De zon mag misschien gratis schijnen, maar voor de liefde geldt dit niet.
Het wordt bondig samengevat in de uitdrukking ‘voor niets gaat de zon op’ die niet, zoals men weleens denkt, begrepen moet worden als een hoofdzin die betekent dat de zon gratis en voor niets schijnt, maar als een toegevende bijzin, waarvan de betekenis wordt onthuld door een hoofdzin de verzwegen wordt. Die hoofdzin luidt: ‘Het mag dan zo zijn dat de zon voor niets opgaat, maar dat geldt niet voor datgene (chocola, liefde) wat jij me vraagt jou voor niets te geven.’
     Het heeft jaren geduurd voordat ik die uitdrukking begreep.
     Liefde lijkt op een zon omdat ze een wereld schept waarvan de omstrek samenvalt met de reikwijdte van haar zonnestralen. Mensen richten hun liefde op andere mensen die, doordat ze gevangen worden in liefdes zoeklicht, openomen worden in de wereld en in het ‘zijn’ van degene die het licht uitstraalt.
     Als mensen van iemand houden, richten ze hun energie voor lange tijd en soms blijvend op iemand anders die ze in hun wereld betrekken, door hem te beschijnen, te verwarmen, op te laden met hun energie. De geliefde wordt in die wereld geborgen; hij wordt gered van eenzaamheid en dood doordat de ander hem beschutting en veiligheid biedt, hem opneemt als in een reddingsboot, hem aan land brengt.
     Natuurlijk ‘werkt’ zoiets alleen als de door de zon beschenene op zijn beurt ontbrandt en de geliefde op zijn beurt beschijnt met zijn stralen, haar tot zijn ‘wereld’ maakt, en haar daarin zo verregaand opneemt, dat hij zich zijn bestaan, zijn identiteit, zijn ‘zijn’ zonder haar niet kan voorstellen.
     Hier zit, naast de vermeende onbaatzuchtigheid, mijn tweede probleem met ‘houden van’ en ‘liefde’. Onder gunstige omstandigheden lukt het me namelijk nog wel om mijn kachel aan te krijgen en energie naar buiten te stralen, zij het sputterend, maar die energie richt zich op dingen, niet op mensen.
     Depressie is van liefdesenergie het negatief. Niet alleen ontbreken de stralen, de energie en dus de mogelijkheid tot het scheppen van een wereld, tot ‘zijn,’ maar ook de mogelijkheid om anderen daarin toe te laten en op te nemen.

Depressie en geloof

Ergens in het voorjaar van 1965 las ik, op aanraden van mijn docent religie, Le diable et le bon Dieu van Jean Paul Sartre. Ik schoot goed op in dit niet al te moeilijke toneelstuk. Op zekere avond dacht ik het te kunnen uitlezen. Het was al laat, mijn ouders, broers en zuster waren naar bed: ik ging er eens goed voor zitten. Eerst nog een kop koffie. Ik stond op, maar nog voor ik bij deur was ging er een bliksem door mijn hoofd: ‘God bestaat niet.’ Ik werd bevangen door een duizeling en viel. Ik keek tegen de onderkant van een op balken rustende houten vloer, waaronder ik weg tuimelde. In een reflex greep ik naar houvast, maar vond dit niet. Vervloekte lectuur! Vervloekte gedachte! Ik kon het puntje van mijn tong wel afbijten. Maar het was te laat: ik was God kwijt.
     De val van mijn geloof staat in het centrum van het patroon dat ik onlangs heb leren herkennen als depressie. Het ligt voor de hand om te denken dat het verlies van God heeft bijgedragen tot het ontstaan van dat patroon. Maar ik haal dan waarschijnlijk oorzaak en gevolg door elkaar. Als het nu eens niet de dood van God is die leidde tot de depressie? Als het nu eens de depressie was die me gaandeweg vervreemdde van de bezielde verbanden van mijn jeugd en de val van God tot onherroepelijk gevolg had? Deze gedachte ligt des te meer voor de hand, omdat het geloof nauw verbonden is met hoop en liefde (deze drie maar de meeste is liefde) en dat ik depressie herken als een ontbreken van deze grote drie.

Depressie en bewustzijn

Sommige specialisten menen dat depressie het bewustzijn aantast. Wat een onzin! Hoe komen ze erbij?
     Depressie versterkt of vergroot het bewustzijn eerder, naar ik veronderstel doordat communicatieve energie wordt geblokkeerd en opgesloten in een mentaal circuit. Dat zou een verklaring vormen voor het verband dat al sinds de oudheid wordt gelegd tussen depressie (melancholie) en intellectuele en artistieke vermogens. 
     Maar wat willen woorden als ‘vergroot’, ‘verscherpt’, ‘versterkt’ bewustzijn zeggen? Als ik stil sta bij wat er gebeurt als ik wegzak in een depressieve crisis, moet ik vaststellen dat de beelden die zich in onverminderde (en zelfs grotere) kracht voordoen aan mijn geestesoog, ontdaan zijn van dezelfde affectieve energie die hapert en tot stilstand komt in mijn contacten met mensen en dingen om me heen. De bewustzijnsbeelden zijn, net als de mensen in mijn omgeving en de omgeving zelf, kaltgestellt. Bij nader inzien kan ik termen als ‘versterkt’, ‘verscherpt’, vergroot’ preciseren als de helderheid waarmee dingen zichtbaar worden die scherp verlicht achter de glazen wand van een etalage liggen. 
     Of liever gezegd achter het glas van mijn stolp. De glaswand van mijn stolp versterkt mijn bewustzijn, omdat de wereld die daarachter zichtbaar wordt, verloren is. Op het moment dat mensen en dingen me ontnomen worden, wordt mijn bewustzijn ervan versterkt. Mijn bewustzijn is het bewustzijn van een verlies. En net zoals ik pas weet wat iets of iemand voor me betekent als ik ze kwijt ben, zo verlies ik de wereld in een depressieve aanval en doemt ze om die reden scherper dan ooit in mijn bewustzijn op. Dat werpt een ander licht op de relatie tussen depressie en bewustzijn. Tijdens de depressie werkt mijn bewustzijn als een glasplaat die me van de wereld scheidt, me de wereld ontneemt en me door dit verlies pijnlijk van de wereld pijnlijk bewust maakt. Bewustzijn is een functie van depressie.

Depressie en nihilisme

Martin Heideggers visie op nihilisme sluit aan op mijn depressie-ervaring. Dat lijkt een beetje vreemd, want Heidegger is de man van de Zijnsfilosofie, dat wil zeggen van de filosofie die radicaal tegengesteld is aan het Niets dat de ontkenning is van het Zijn.
     Maar juist in deze ontkenning zoekt Heidegger het belang van het Niets. Hij meent namelijk dat het Zijn alleen bereikbaar is door het Niets heen.
     Tijdens de depressieve crisis wordt de wereld me onthuld zoals ze eigenlijk is, dat wil zeggen: ontdaan van alle geruststellende ideeën waarmee ik haar onder normale omstandigheden leefbaar maak. Ze wordt ontdaan van alle laagjes, vernisjes en omhulsels waarin zij normaal verpakt zit. Wat overblijft is de wereld ‘op zichzelf’ in haar kale Eigentlichkeit.
     Eigentlichkeit slaat niet alleen op de ontmaskering van de wereld die, ontdaan van de schone schijn, haar eigenlijke onaantrekkelijke gezicht toont. Eigentlichkeit verwijst ook naar het ‘eigenlijke’ ik dat pas kan worden opgebouwd als ik schoon schip heb gemaakt met de illusies die me voordien verblindden. Angst is de stemming die me bevrijdt van de kleine angstjes (van alle dingen waar ik bang voor ben) en me vrijmaakt voor de dingen waar het feitelijk om gaat.
     Heidegger: ‘De Entschlossene kent geen vrees (bang zijn voor), hij ziet in de angst de mogelijkheid van een stemmig die hem niet langer remt en verwart. Angst bevrijdt van de ‘nietige’ mogelijkheden en maakt vrij voor eigenlijke.’
     De enige reserve die ik in dit verband heb, betreft de figuur van de Entschlossene. Heidegger veronderstelt dat alleen een soort Übermensch in staat is om staande te blijven in de storm van het Niets en daaruit als herboren te herrijzen. Maar in de depressie heb ik geen enkele mogelijkheid om entschlossen te blijven. Ik word uitgevlakt, met de grond gelijk gemaakt, vernietigd.
     Het enige waarop ik mag hopen, is dat via medicijnen of zelfmedicatie de machine weer op gang wordt gebracht, opdat de wereld me in genade wordt teruggeschonken.